Pensioenstelsel lastig sturen op koopkracht

In juni 2019 vatte de Sociaal-Economische Raad het tussen kabinet en sociale partners gesloten Pensioenakkoord samen in de folder Naar een nieuw pensioenstelsel. Als belangrijkste doel stond daarin opgenomen dat het nieuwe stelsel eerder perspectief moet bieden op een koopkrachtig pensioen. De uitkeringen zouden meer gelijke tred moeten houden met de inflatie.  Alleen nu blijkt het stelsel zo ingericht dat er lastig valt te sturen op koopkracht. Dat is een beetje vreemd natuurlijk, schrijft EW, dat aankondigt begin augustus de balans op te maken nu we halverwege de pensioentransitie zijn.

Vaag over kosten

Aan de negatieve zijde zijn er volgens EW ook de kosten die gemoeid zijn met de transitie. De fondsen doen daar zo vaag over, dat de voor de pensioenen verantwoordelijke minister Hans Vijlbrief (D66) niets erover kan melden in de meest recente Pensioenmonitor – een periodieke rapportage over de voortgang van de hervorming.

Sigaar uit eigen doos

Als pluspunt ziet EW dat deelnemers eindelijk zien wat een pensioen waard is. Een ander t pluspunt is dat de fondsen die zijn overgestapt naar het nieuwe stelsel de pensioenen gemiddeld met 14 procent konden verhogen. Wie 1.000 euro per maand kreeg, krijgt nu 1.140 euro per maand. “Die verhoging is wel een sigaar uit eigen doos, omdat de fondsen hun buffers uitkeren bij de overstap. Die buffers hebben de deelnemers zelf bijeen gespaard.”