Vergeten spiertjes in de voet oefenen
Valpartijen zijn de grootste oorzaak van ernstig letsel bij ouderen. Bewegingswetenschapper Lydia Willemse onderzocht of kleine, vergeten voetspieren helpen om vallen te voorkomen. Het AD bericht over de uitkomsten.
Een vrouw loopt op haar tenen naar de afvalcontainer. Klinkt gek, maar deze 65-plusser doet dat met een reden: haar kleine voetspieren trainen om de kans op een valpartij te verkleinen. Want vallen is de grootste oorzaak van ernstig letsel bij ouderen. Die kleine spieren in de voetzool bleken jarenlang onderbelicht in de wetenschap. Terwijl elk jaar één op de drie ouderen valt. Een kwart van de valpartijen gaat gepaard met letsel. Bewegingswetenschapper Lydia Willemse uit Oss vroeg zich af: kunnen die kleine spiertjes helpen om dat te voorkomen? De vrouw die naar de container loopt, doet mee aan haar onderzoek.
Voet stabiel
Willemse promoveerde onlangs aan de Katholieke Universiteit (Leuven en Tilburg University. Ze is bewegingswetenschapper en docent bij Fontys Hogeschool in Eindhoven. Ze las daarbij veel over grote voetspieren, zoals de spier waarmee je je grote teen strekt, of die waarmee je je enkel buigt. Maar ze kwam weinig tegen over de intrinsieke voetspieren, zo heten die kleine spiertjes officieel. “Terwijl die wel allemaal een functie hebben”, zegt Willemse in het AD. De lange spieren zorgen ervoor dat je in beweging komt, de korte zorgen ervoor dat de voet stabiel is.
Minder angstig
Willemse merkte volgens het AD in haar onderzoek op dat senioren die hierin training hadden gehad, zich minder angstig voelden. “Sommigen voelden zich stabieler, anderen waren zelfverzekerder.” Omdat sommige deelnemers al na enkele weken verbetering merkten, waren zij extra gemotiveerd om de oefeningen ook buiten de trainingen te gebruiken. De bezorgdheid om te vallen was dan ook kleiner geworden in de trainingsgroep, bleek aan het eind van het onderzoek. Of dit ook op de lange termijn helpt om minder te vallen, is nog onduidelijk. Dat moet blijken uit vervolgonderzoek. “Dan moet je mensen twaalf maanden lang volgen en hele grote groepen onderzoeken.”